Bekentenissen van een Klassist

door Herman op 10 October 2019

Laat in de avond stappen in heel Nederland boeren op hun trekker. Ze gaan op weg naar Den Haag, om daar de volgende ochtend pas aan te komen. Achter hen ontstaat op de snelweg honderden kilometers file. Wat een sterke actie! Ik leef mee met deze groep mensen die keihard werkt voor weinig geld, haast nooit op vakantie kan en in hun strijd om voortbestaan voortdurend gedwongen wordt tot schaalvergroting. Maar ik maak me ook zorgen over stalbranden, stikstof-uitstoot en uitputting van landbouwgrond. Ik besluit de website van de organisatoren te lezen. Daar vind ik argumenten, informatie en doorverwijzingen naar andere organisaties. Maar ik vind nog iets: een spelfout! Ergens in mijn hoofd zegt een stemmetje ‘aha, het zijn domme boeren!’ en ik voel opeens afstand tot hun strijd. Ik schrik er zelf van.

Dit soort vooroordelen heb ik vaker. Laatst was ik een week op bezoek bij ATD, een organisatie die samenwerkt met mensen in extreme armoede. Om er een woord aan te geven beschrijft Père Joseph, de oprichter van ATD, de allerarmsten binnen de eerste wereld ook wel als ‘de vierde wereld’. Mijn zelfbeeld is dat ik heel erg betrokken ben met deze mensen, en hun strijd om niet buitengesloten te worden. Maar in de ontmoetingen die ik bij ATD heb kom ik steeds mijn eigen vooroordelen tegen. Ik kom in de groep veel mensen tegen met mild overgewicht, daar heb ik een oordeel over. Ik kom mensen tegen die wat extra zout over hun eten strooien, niet zo welbespraakt zijn, een uitkering hebben, kinderen hebben die uit huis geplaatst zijn. Ik weet dat deze dingen eerder symptomen zijn van generatie-lange armoede dan oorzaken, maar mijn achterhoofd weet het nog niet. Ik oordeel erover, misschien nog wel meer dan dat ik oordeel over de groep boeren die het op hun website heeft over ‘de instructie’s van de ordedienst’.

In een van mijn lievelingsprogramma’s zit een stel, Fred en Ria. Fred verhaspelt zijn spreekwoorden, drinkt overmatig, eet ongezond en is dom en agressief naar zijn vrouw. Ik lach er met veel plezier over. Deze karikaturale weergave van iemand uit de arbeidersklasse voelt voor mij als onschuldige humor. Als een andere caberetier een moslim-fundamentalisische Marrokaanse migrant of een gierige Jood neerzet vind ik dat misplaatst.

Ik zeg het een beetje met een omweg, maar misschien ben je het zo onderhand met me eens: ik ben een klassist. Maar hoe zet ik mijn klassistische vooroordelen buiten spel? Ik weet het niet zo goed. Ten eerste heb ik al weerstand bij de term opzich: klassisme. Ik vind praten over klasse ongemakkelijk. Ik ga er vanuit dat iedereen middenklasse wil zijn, en als ze dat niet zijn, is het niet leuk om dat vervolgens te benoemen. Waarom ik dat denk weet ik niet. Ogenschijnlijk probeer ik mezelf juist los te worstelen van de middenklasse. ‘Downwardly mobile’ wil ik zijn, leven in ‘vrijwillige armoede’. Maar of ik dat écht wil? Stiekem word ik toch een beetje angstig bij het idee dat het ooit echt zou lukken; als iemand mij aanziet voor arbeidersklasse vertel ik snel iets over mijn jaar op de universiteit, of citeer ik iets van Tolstoy.

Als ik iemand anders over sociale klasse hoor schrik ik daar soms een beetje van. Père Joseph bijvoorbeeld, die oprichter van ATD. In zijn boek ‘de armen zijn de kerk’ schrijft hij over de armsten als volk, met hun eigen cultuur. ‘Dat kan je toch niet zeggen!’ Denk ik dan. ‘Dat is toch discriminatie!?’ Terwijl Père Joseph zich juist zijn hele leven heeft ingezet voor waardigheid en gelijkheid voor mensen die leven in extreme armoede. Door de situatie helder te beschrijven, zonder te ontkennen dat er zoiets is als sociale klasse, kan hij uitleggen wat er allemaal mis is. En ook probeert hij om mensen trots te maken op hun eigen identiteit. Hij benoemt ook de speciale kracht die uitgaat vanuit mensen die opgegroeid zijn in armoede, en hoe hard de wereld hen nodig heeft. Dus misschien kan het mij helpen, om klasse juist wel te benoemen. Ik zag eens in een documentaire hoe sommige ouders nooit met hun kinderen praten over huidskleur. In hun ogen leren kinderen daardoor dat iedereen gelijk is. Maar juist die kinderen die nooit bewust spreken over huidskleur, bleken veel kwetsbaarder voor de vooroordelen die ze onbewust meekregen uit films, boeken en andere slechte voorbeelden.

In de week dat ik bij ATD was heb ik veel mensen ontmoet die helemaal niet kloppen met mijn vooroordelen. Mensen die ik op het eerste gezicht afschrijf als ‘slachtoffers’ vertelden over hun werk tegen dierenleed. Mensen waarvan mijn vooroordeel zei dat ze geen complexe ideeën kunnen begrijpen konden mij haarfijn uitleggen over de politieke onderdrukking die ervaren wordt door het subproletariaat. Mensen die ik inschat als afhankelijk organiseren een bijeenkomst waar bezoekers uit heel Nederland op afkomen.

Ik was bij ATD om iets van hen te leren, maar ik heb in deze week ook vooral gemerkt hoeveel ik nog te leren heb. Ik hoop dat ik over een paar jaar kan lachen over mijn eigen ongelukkige manier om over klasse te schrijven, en dat ik in dit artikel niet al teveel mensen beledigd heb. Ik loop in het donker, en merk dat ik soms struikel of iemand aanstoot. Maar nu ga ik nog snel een stukje Fred en Ria kijken, nu ik er nog van kan genieten.

Wij hebben een droom van een wereld die mooier kan zijn. En dat kunnen en willen we niet alleen beginnen te leven. Doe je mee?

Als er nieuwe ontwikkelingen zijn, willen we je het graag laten weten.

  Ik wil op de mailing-list

Kijk ook eens bij ons op Facebook.

Zijn er dingen die wij absoluut moeten weten? Zou je ons willen helpen met klussen, de tuin inrichten, of anders willen helpen? Of wordt je warm van onze visie, en wil je eens kletsen? mail eens of kom langs!